holenderski preply

 0    2.348 Datenblatt    damiank991
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
znaczyć
Lernen beginnen
betekent
udostepniac
Lernen beginnen
delen
z
Lernen beginnen
met
ekran
Lernen beginnen
het scherm
mozesz, moglbys
Lernen beginnen
zal
jak sie masz
Lernen beginnen
hoe gaat het met u/je/jouw
jak sie masz
Lernen beginnen
hoe gaat het
czy wszystko wporzadku?
Lernen beginnen
Hoe gaat het met alles
Wszystko wporzadku
Lernen beginnen
alles goed
jak twoj dzien
Lernen beginnen
hoe is/was je dag
dobrze Cie widziec
Lernen beginnen
Goed om je te zien
dobrze Cie znowu widziec
Lernen beginnen
het is goed om je weer te zien
milo Cie poznac
Lernen beginnen
het is leuk u te ontmoeten
dobrze(czuje sie dobrze)
Lernen beginnen
Het gaat goed
bardzo dobrze
Lernen beginnen
heel goed
jako tako(czuje sie)(so so)
Lernen beginnen
het gaat
jestem zmeczony
Lernen beginnen
ik ben moe
zle(czuje sie)
Lernen beginnen
slecht
jestem chory
Lernen beginnen
ik ben ziek
pa pa, czesc
Lernen beginnen
daag, dui, dui dui
do zobaczenia nastepnego dnia
Lernen beginnen
tot ziens, tot morgen
dozobaczenia pozniej
Lernen beginnen
tot straks
badz ostrozny
Lernen beginnen
wees voorzichtig
powodzenia
Lernen beginnen
veel succes
dziekuje formalnie
Lernen beginnen
dank u wel
dziekuje nieformalnie
Lernen beginnen
dank je wel
dziekuje bardzo formalnie
Lernen beginnen
hartelijk dank
dziekuje bardzo nieformalniue
Lernen beginnen
echt heel erg bedankt
prosze formalnie
Lernen beginnen
alstublieft
prosze nieformalnie
Lernen beginnen
alsjeblieft
poniedzialek
Lernen beginnen
maandag
wtorek
Lernen beginnen
dinsdag
sroda
Lernen beginnen
woensdag
czwartek
Lernen beginnen
donderdag
piatek
Lernen beginnen
vrijdag
sobota
Lernen beginnen
zaterdag
niedziela
Lernen beginnen
zondag
styczen
Lernen beginnen
januari
luty
Lernen beginnen
februari
marzec
Lernen beginnen
maart
kwiecien
Lernen beginnen
april
maj
Lernen beginnen
mei
czerwiec
Lernen beginnen
juni
lipiec
Lernen beginnen
juli
sierpien
Lernen beginnen
augustus
wrzesien
Lernen beginnen
september
pazdziernik
Lernen beginnen
oktober
listopad
Lernen beginnen
november
grudzien
Lernen beginnen
december
nie rozumiem
Lernen beginnen
Ik versta / begrijp je niet.
nie wiem
Lernen beginnen
Ik weet het niet
mozesz powtorzyc?
Lernen beginnen
Kan je het herhalen?
jak to sie wymawia
Lernen beginnen
Hoe zeg je "..."
udostepnie swoj ekran
Lernen beginnen
Ik zal mijn scherm met je delen
Napiszę to dla Ciebie na czacie
Lernen beginnen
Ik zal het voor je schrijven in de chat
Czy możesz napisać to dla mnie na czacie?
Lernen beginnen
Kan je het voor me schrijven in de chat?
czy zrozumiales?
Lernen beginnen
Heb je het begrepen?
mam pytanie
Lernen beginnen
Ik heb een vraag
mozesz kontynuowac
Lernen beginnen
je mag door gaan
kontynuujmy lekcje
Lernen beginnen
we gaan verder met de les
skonczylem
Lernen beginnen
ik ben klaar
mozesz to skopiowac
Lernen beginnen
Je mag het overschrijven
jaki jest dzis dzien?
Lernen beginnen
Vandaag is welke dag?
wczoraj
Lernen beginnen
gisteren
przedwczoraj
Lernen beginnen
eergisteren
pojutrze
Lernen beginnen
overmorgen
urodzic sie
Lernen beginnen
geboren
czasowniki glowne
Lernen beginnen
hoofdwerkwoorden
talerz
Lernen beginnen
het bord
umywalka
Lernen beginnen
wastafel, wasbak
plecak
Lernen beginnen
schooltas
gdzie sie spotkamy
Lernen beginnen
Waar spreken we af?
o ktorej mamy spotkanie
Lernen beginnen
Hoe laat zullen we afspreken?
co wolisz?
Lernen beginnen
Wat heeft je voorkeur?
Jak dla mnie, każdy dzień jest dobry
Lernen beginnen
Wat mij betreft is iedere dag goed
To brzmi dobrze (dla mnie)
Lernen beginnen
Dat klinkt goed(voor mij)
Czy to jest w porządku wobec ciebie?/Nie przeszkadza ci to?
Lernen beginnen
Is dat goed wat jou betreft?
czy mowisz po angielsku
Lernen beginnen
Spreek je Engels?
brzmi znajomo?
Lernen beginnen
Klinkt dat bekend?
co tam
Lernen beginnen
Wat is er (aan de hand)?
co nowego
Lernen beginnen
Is er iets nieuws?
do zobaczenia pozniej
Lernen beginnen
Ik zie je later (Tot later)
ja to naprawde doceniam(appreciate)
Lernen beginnen
Ik stel het (erg) op prijs
to jest wystarczajace
Lernen beginnen
Dat is wel genoeg
dziekuje bardzo
Lernen beginnen
Heel erg bedankt
czy masz chwile na rozmowe?
Lernen beginnen
Is er een ogenblik om even te praten?
czy to zly/niewlasciwy moment?
Lernen beginnen
Komt het nu slecht uit?
czy jestes zajety
Lernen beginnen
Ben je bezig
nie jestem pewny daty
Lernen beginnen
Ik ben niet helemaal zeker over de datum
tak to wyglada, na to wyglada
Lernen beginnen
Dat lijkt er wel op
tak mysle
Lernen beginnen
ik denk van wel
nie mysle tak
Lernen beginnen
Ik vind allebei goed
Nie mam nic przeciwko temu.
Lernen beginnen
Ik heb er niets tegen.
wydaje sie to bez sensu
Lernen beginnen
Het lijkt mij onzin
impreza sie skonczyla
Lernen beginnen
Het feest is voorbij
wspanialego czasu!
Lernen beginnen
Veel plezier
kim jestem zeby mowic
Lernen beginnen
Wie ben ik om dat te zeggen
latwiej powiedziec niz zrobic
Lernen beginnen
Makkelijker gezegd dan gedaan
bez watpienia
Lernen beginnen
Geen twijfel mogelijk
zaraz wracam
Lernen beginnen
Ik kom zo terug
przepraszam za spoznienie
Lernen beginnen
Excuses dat ik laat ben
jestem z powrotem
Lernen beginnen
Ik ben er weer
powinnismy isc?
Lernen beginnen
Moeten we gaan?
Najwyzszy czas/pora
Lernen beginnen
Het werd tijd!
mam plecak/siatke
Lernen beginnen
Ik heb een tas
Ile za to?
Lernen beginnen
Hoeveel kost dit?
milego dnia
Lernen beginnen
Heb een fijne dag
tobie rowniez
Lernen beginnen
U ook/ jij ook
to jest to
Lernen beginnen
dit is het
chce zaplacic karta
Lernen beginnen
Ik zal pinnen
karta kredytowa
Lernen beginnen
Pinpas
zaplace gotowka
Lernen beginnen
IK zal contant betalen
zaplace karta platnicza
Lernen beginnen
Ik zal met mijn pinpas betalen
jak twoj dzien(teraz)
Lernen beginnen
Hoe is je dag
jak minal twoj dzein
Lernen beginnen
Hoe was je dag
zaden problem
Lernen beginnen
geen probleem
wydaje sie
Lernen beginnen
lijkt
za chwilę, zaraz, na chwile
Lernen beginnen
ogenblik
potwierdzać
Lernen beginnen
bevestigen
dla
Lernen beginnen
voor
za
Lernen beginnen
achter
obok
Lernen beginnen
naast
w
Lernen beginnen
in
na
Lernen beginnen
op
przez
Lernen beginnen
door
okolo
Lernen beginnen
over
z (kads)
Lernen beginnen
uit
powyzej
Lernen beginnen
boven
ponizej
Lernen beginnen
onder
do
Lernen beginnen
om
przeciw
Lernen beginnen
tegen
przy
Lernen beginnen
aan
w srodku
Lernen beginnen
binnen
na zewnatrz
Lernen beginnen
buiten
wzdluz
Lernen beginnen
langs
podczas
Lernen beginnen
tijdens
od
Lernen beginnen
sinds
do (jakiegos momentu)
Lernen beginnen
tot
bez
Lernen beginnen
zonder
z
Lernen beginnen
met
oprocz
Lernen beginnen
behalve
do
Lernen beginnen
naar
po
Lernen beginnen
na
przez
Lernen beginnen
via
zgodnie z
Lernen beginnen
volgens
sloik z cukierkami
Lernen beginnen
snoeppot
blat kuchenny
Lernen beginnen
aanrecht
opakowanie po cukierku
Lernen beginnen
snoep papiertje
ostatni
Lernen beginnen
afgelopen
dla mnie...
Lernen beginnen
voor mij betreft
kto
Lernen beginnen
wie
co
Lernen beginnen
wat
jaki
Lernen beginnen
welke
jak
Lernen beginnen
hoe
kiedy
Lernen beginnen
wanneer
ile (how much)
Lernen beginnen
hoeveel
dokąd
Lernen beginnen
waarheen
dlaczego
Lernen beginnen
waarom
ktory
Lernen beginnen
welke
Co tam robisz?
Lernen beginnen
Wat doe je daar?
Co jadłeś dziś po południu?
Lernen beginnen
Wat heb je vanmiddag gegeten?
Kto jest twoim najlepszym przyjacielem?
Lernen beginnen
• Wie(who) is je beste vriend?
Kto według Ciebie jest najlepszym tenisistą?
Lernen beginnen
Wie is volgens jou de beste tennisser?
Gdzie położyłeś swoją książkę?
Lernen beginnen
• Waar heb je je boek gelegd?
Skąd ja cię znam?
Lernen beginnen
• Waar ken ik je van?
Kiedy chodzisz na zajęcia?
Lernen beginnen
• Wanneer ga je naar de les?
Wanneer leefde Freud?
Lernen beginnen
• Wanneer leefde Freud?
Jak chodzisz do kina?
Lernen beginnen
Hoe ga je naar de film?
Jak się wiąże sznurówki?
Lernen beginnen
• Hoe knoop jij je veters?
Dokąd pójdziesz?
Lernen beginnen
• Waarheen ga je straks?
Dokąd się przeniósł?
Lernen beginnen
Waarheen is hij verhuisd?
dlaczego chodzisz spać tak wcześnie?
Lernen beginnen
• Waarom ga je zo vroeg naar bed?
Dlaczego dziecko nie słucha?
Lernen beginnen
• Waarom luistert het kind niet?
Która grupa według Ciebie jest najlepsza?
Lernen beginnen
• Welke groep vind je de beste?
Które danie wolisz zjeść?
Lernen beginnen
• Welk gerecht eet je het liefst?
danie
Lernen beginnen
gerecht
najsłodsze
Lernen beginnen
de liefste
rzeczy
Lernen beginnen
dingen
drogie
Lernen beginnen
duur, dure
coś
Lernen beginnen
iets
dokladnie
Lernen beginnen
precies
przybywac
Lernen beginnen
aankomen
dzienny
Lernen beginnen
dagelijks
o (czyms)
Lernen beginnen
over
etatowa praca
Lernen beginnen
volletijds werk
ubierac sie
Lernen beginnen
aankleden
nie wydaje mi sie
Lernen beginnen
Ik denk van niet
nie wiem
Lernen beginnen
ik weet het niet
prysznic
Lernen beginnen
de douche, baden
drzwi frontowe
Lernen beginnen
voordeur
wyjscie
Lernen beginnen
Uitgang
goście
Lernen beginnen
bezoekers
obecnie, w dzisiejszych czasach
Lernen beginnen
tegenwoordig
mowic o
Lernen beginnen
te praten over
skarpetki
Lernen beginnen
sokken
zachowywac sie normalnie
Lernen beginnen
doe normaal
spoleczne wydarzenie
Lernen beginnen
sociaal evenement
peknieta opona
Lernen beginnen
lekke band
cos takiego (somethink like that)
Lernen beginnen
iets als dat
wszystko
Lernen beginnen
alles
kazdy
Lernen beginnen
iedereen
calkowicie
Lernen beginnen
helemaal
poprostu (just)
Lernen beginnen
gewoon gewoon)
zakladac
Lernen beginnen
aan trekken
powiedzial
Lernen beginnen
gezegd
zrobione
Lernen beginnen
klaar, gedaan
odjezdzac
Lernen beginnen
wegrijden
niebo
Lernen beginnen
de hemel
klucze
Lernen beginnen
sleutels
zapasowy
Lernen beginnen
reserve-
ostatni egzamin
Lernen beginnen
eindexame
naprawde
Lernen beginnen
echt
ostatniej nocy
Lernen beginnen
laatste nacht
gazeta
Lernen beginnen
de krant
wspomnij moje imię
Lernen beginnen
noem mijn naam
to dlatego
Lernen beginnen
daarom
to prawda
Lernen beginnen
dat klopt
w domu
Lernen beginnen
thuis
czym się zajmujesz zawodowo
Lernen beginnen
wat voor werk doe je?
sprzedawca
Lernen beginnen
verkoper
kupujacy
Lernen beginnen
koper
malarz
Lernen beginnen
schilder
profesja/zawod
Lernen beginnen
beroep
warzywniak
Lernen beginnen
groenteboer
boisko pilkarskie
Lernen beginnen
voetbalveld
dziewczyna
Lernen beginnen
de vriendin
przyjaciele
Lernen beginnen
Vrienden
podoba mi sie
Lernen beginnen
bevalt me wel, ik hou van
tylko (only)
Lernen beginnen
enige
wada
Lernen beginnen
defect, nadeel
czesto
Lernen beginnen
vaak
deszcz
Lernen beginnen
de regen
pomocny
Lernen beginnen
behulpzaam
ciekawski
Lernen beginnen
benieuwd
wypowiedz, orzeczenie (statement)
Lernen beginnen
stelling
Zmagam się z
Lernen beginnen
ik heb moeite mee
znaczyc
Lernen beginnen
gemeen
cukierkowe pastykli
Lernen beginnen
drop
nalesnik
Lernen beginnen
de pannenkoek
holenderski smarzony przysmak
Lernen beginnen
de krokiet
smarzona kielbasa
Lernen beginnen
de frikandel
frytki z majonezem
Lernen beginnen
frietje met
frytki
Lernen beginnen
de friet, patat
ziemniak
Lernen beginnen
de aardappel
owoce
Lernen beginnen
fruit vruts
kromka chleba
Lernen beginnen
boterham
czekoladowa posypka
Lernen beginnen
hagelslag
farmer, rolnik
Lernen beginnen
boer
wiosna
Lernen beginnen
de lente
lato
Lernen beginnen
de zomer
jesien
Lernen beginnen
herfst
zima
Lernen beginnen
de winter
jezyk niemiecki
Lernen beginnen
Duitse
ruski jezyk
Lernen beginnen
Russische taal
francja
Lernen beginnen
Frankrijk
francuski
Lernen beginnen
frans
kamienny dysk
Lernen beginnen
afbraamschijfp
spedzac (czas)
Lernen beginnen
doorbrenge (tijd)
uczyc sie
Lernen beginnen
leren
czasem
Lernen beginnen
soms
telefon komorkowy
Lernen beginnen
het mobieltje
w domu
Lernen beginnen
thuis
slyszec
Lernen beginnen
horen
sluchac
Lernen beginnen
luister, luisteren naar
boze narodzenie
Lernen beginnen
Kerstmis
rozmawiac
Lernen beginnen
praten
obcokrajowiec
Lernen beginnen
buitenlander
interesowac
Lernen beginnen
interesseren
ulubiony
Lernen beginnen
favoriete
wędrowac
Lernen beginnen
wandelen
góry
Lernen beginnen
bergen
kukurydza
Lernen beginnen
maïs
groszek
Lernen beginnen
erwt
niesmaczny
Lernen beginnen
niet lekker
kiedy
Lernen beginnen
wanneer
czy byles kiedys w holandii
Lernen beginnen
ben je in nederland geweest
razem
Lernen beginnen
samen
sam
Lernen beginnen
alleen
samolot
Lernen beginnen
het vliegtuig
nie ma nic do roboty
Lernen beginnen
heb je niets om te doen
w koncu
Lernen beginnen
eindelijk
znowu
Lernen beginnen
weer
przyjaciolka/dziewczyna
Lernen beginnen
vriend/vriendin
uciazliwy
Lernen beginnen
lastig
ciekawy
Lernen beginnen
benieuwd
miec na cos ochote
Lernen beginnen
zin in iets hebben
pograc w pilke
Lernen beginnen
potje voetballen
transport publiczny
Lernen beginnen
openbaar vervoer
dziadek
Lernen beginnen
opa
babcia
Lernen beginnen
de oma
ciocia
Lernen beginnen
tante
wójek
Lernen beginnen
oom
kuzyn
Lernen beginnen
neef
kuzynka
Lernen beginnen
nicht
wnuczek
Lernen beginnen
kleinkind
znajomy (the acquaintance)
Lernen beginnen
kennis(de bekende)
kolega z klasy
Lernen beginnen
klasgenoot
the relationship (love)
Lernen beginnen
de relatie (liefde), de verkering
zakochany (in love
Lernen beginnen
verliefd
zareczony
Lernen beginnen
verloofd
zenic sie
Lernen beginnen
trouwen
rozwodzic sie
Lernen beginnen
scheiden
byc rozwiedzionym
Lernen beginnen
gescheiden zijn
zapomniec
Lernen beginnen
vergeten
slowka
Lernen beginnen
woorden, woordjes
wziasc
Lernen beginnen
nemen
gotowac
Lernen beginnen
koken
strzelic
Lernen beginnen
vuren
wiedziec
Lernen beginnen
weten
chwycic
Lernen beginnen
pakken
przyzwyczaic
Lernen beginnen
wennen
udac sie
Lernen beginnen
lukken
spasc
Lernen beginnen
vallen
pozbyc sie
Lernen beginnen
lozen
werbowac
Lernen beginnen
werven
drzec
Lernen beginnen
beven
odwazyc sie
Lernen beginnen
durven
walic
Lernen beginnen
bonzen
sweter
Lernen beginnen
de trui
zapach
Lernen beginnen
geur
biodro
Lernen beginnen
heup
kierownica
Lernen beginnen
het stuur
niedzwiedz
Lernen beginnen
beer
gardlo
Lernen beginnen
keel
morze, jezioro
Lernen beginnen
zee,
policzek
Lernen beginnen
wang
jezyk
Lernen beginnen
tong
przewodnik
Lernen beginnen
de gids
sasiad, sasiedzi
Lernen beginnen
buurman, buren
nazywac sie
Lernen beginnen
heten
lepiej
Lernen beginnen
goed-beter-het best
patelnia
Lernen beginnen
pan
las
Lernen beginnen
het bos
klient
Lernen beginnen
de klant
kosc
Lernen beginnen
bot
okragly, wokol
Lernen beginnen
rond, rond
koniec
Lernen beginnen
het einde
wysoki
Lernen beginnen
hoog
powietrze
Lernen beginnen
de lucht
swiatlo
Lernen beginnen
licht
autem
Lernen beginnen
met de auto
atrakcje
Lernen beginnen
bezienswaardigheden, attracties
targ
Lernen beginnen
markt, kermis
cyrk
Lernen beginnen
circus
nigdy nie bylismy w cyrku
Lernen beginnen
We zijn in het circus nooit geweest
kilka razy
Lernen beginnen
meerdere keren
bylem/bylas
Lernen beginnen
ik was/was
plaza
Lernen beginnen
strand
rodzice
Lernen beginnen
ouders
bylismy
Lernen beginnen
we waren
raz w roku
Lernen beginnen
een keer per jaar
wielkanoc
Lernen beginnen
Pasen
inny niz
Lernen beginnen
anders dan
narzekac
Lernen beginnen
klagen over
nie podoba mi sie cos
Lernen beginnen
ik vind ... niet mooi
istniec
Lernen beginnen
bestaan
latwy, latwiejszy
Lernen beginnen
makkelijk, makkelijker
zaczynac
Lernen beginnen
beginnen
trzeci raz
Lernen beginnen
derde keer
z nauka holenderskiefo
Lernen beginnen
met het leren van het netherlandse
zakonczyc
Lernen beginnen
einde, stoppen
podgrzewac
Lernen beginnen
verwarmen, opgewarmd
w piatek, w sobote
Lernen beginnen
op vrijdag, op zaterdag
poltorej godziny
Lernen beginnen
anderhalf uur
zostawac
Lernen beginnen
blijven
jak dlugo chce
Lernen beginnen
hoe lang ik wil
o 9
Lernen beginnen
Om 9 uur
to zalezy ode mnie
Lernen beginnen
het hang van mij af
po
Lernen beginnen
na
pozywny
Lernen beginnen
voedzaam
zapaliczka do samochodu
Lernen beginnen
auto aansteker
wtyczka
Lernen beginnen
plug
milo, przytulnie
Lernen beginnen
leuk, gezellig
uwazac
Lernen beginnen
vinden
matematyka
Lernen beginnen
wiskunde
przedmoty szkolne
Lernen beginnen
schoolwakken
nauczyciel
Lernen beginnen
de leraar
szef
Lernen beginnen
baas
cicho
Lernen beginnen
stil
zaczynac
Lernen beginnen
begin
czesto
Lernen beginnen
vaak
czesto, czesciej, najczesciej
Lernen beginnen
vaak, liever, liefst
na przerwie
Lernen beginnen
in de pauze
kolega z klasy
Lernen beginnen
klasgenoot
ulubiony przedmiot
Lernen beginnen
lievelingsvak
sztuka
Lernen beginnen
de kunst
teren szkoly
Lernen beginnen
schoolplain
dobra, wysoka ocena
Lernen beginnen
hoog cijfer
znany
Lernen beginnen
beroemd
szczesliwy
Lernen beginnen
blij
nieznzny
Lernen beginnen
onbekend
lisc
Lernen beginnen
blad
korki uliczne
Lernen beginnen
files
szyja
Lernen beginnen
de nek, hals
zmarly
Lernen beginnen
overledene
statek
Lernen beginnen
het schip
oko
Lernen beginnen
het oog
nos
Lernen beginnen
de neus
jajko
Lernen beginnen
het ei
ogrod
Lernen beginnen
tuin
mieszkanie
Lernen beginnen
woning
niektorzy
Lernen beginnen
sommige
lub zostaja w domu
Lernen beginnen
of ze blijfen alleen thuis
nie kazdy jest w zwiazku
Lernen beginnen
niet iedereen heeft een relatie
kazdy
Lernen beginnen
iedereen
ktos
Lernen beginnen
iemand
nazywac
Lernen beginnen
noem je, noemen
rozwod
Lernen beginnen
scheiden
malzenstwo
Lernen beginnen
huwelijk
zarabiac
Lernen beginnen
verdienen
byc zadowolonym
Lernen beginnen
blij zijn, tevreden zijn
szczesliwy
Lernen beginnen
gelukkig
wyplata
Lernen beginnen
salaris
lotnisko
Lernen beginnen
het vliegveld, luchthaven
bagaz
Lernen beginnen
bagage
walizka
Lernen beginnen
koffer
samolot
Lernen beginnen
het vliegtuig
jak sie czujesz
Lernen beginnen
hoe voel je je?
czuje sie...
Lernen beginnen
Ik voel me
dostac 3 osoby
Lernen beginnen
krijgen, kreeg, gekregen
zadzwonilem do dziewczyny
Lernen beginnen
Ik belde mijn vrendin op
15
Lernen beginnen
vijftien
5
Lernen beginnen
vijf
50
Lernen beginnen
vijftig
kwadrans
Lernen beginnen
het kwartier
zostalem zwolniony
Lernen beginnen
Ik ben ontslagen
tam
Lernen beginnen
daar
przeprowadzic sie gdzies
Lernen beginnen
verhuizen naar
czy bedziecie mieszkac razem
Lernen beginnen
ga jullie samenwonen?
brudny
Lernen beginnen
vies, smerig
podczas gdy
Lernen beginnen
terwijl
czysty
Lernen beginnen
schoon
kara
Lernen beginnen
de straf
zeszyt
Lernen beginnen
het schrift
lezec
Lernen beginnen
liggen
pozyczyc
Lernen beginnen
lenen
chciec
Lernen beginnen
willen
wlasciwie
Lernen beginnen
eigenlijk
czas wolny
Lernen beginnen
vrije tijd
malo, mniej, najmniej
Lernen beginnen
weinig, minder, het minst
wczesniej
Lernen beginnen
vroger
czego robimy wiecej niz kiedys
Lernen beginnen
wat doen we nu meer dan vroger
duzo, wiecej, najwiecej
Lernen beginnen
veel, meer, het meest
poniewaz
Lernen beginnen
omdat
przede wszytkim
Lernen beginnen
vooral
przez to
Lernen beginnen
daardoor
byc zajety
Lernen beginnen
druk zijn, het druk hebben
podrozowac
Lernen beginnen
reizen
obowiazki domowe
Lernen beginnen
huishouden
dziac sie
Lernen beginnen
gebeuren
musiec
Lernen beginnen
moet
ciagle
Lernen beginnen
Nog steeds
widziec
Lernen beginnen
zien
30
Lernen beginnen
dertig
13
Lernen beginnen
dertien
nadawca
Lernen beginnen
afzender, zender
niektore
Lernen beginnen
sommige
byc w drodze
Lernen beginnen
onderweg zijn
typowy
Lernen beginnen
typisch
bylismy
Lernen beginnen
wij waren
w gorach
Lernen beginnen
in de bergen
poltorej
Lernen beginnen
anderhalf
robic 3 czasy
Lernen beginnen
doen, deed, gedaan
uwazac, myslec, znalesc
Lernen beginnen
vinden
turystyczny
Lernen beginnen
toeristisch
potrawy
Lernen beginnen
gerechten
odwiedzac
Lernen beginnen
bezoeken
w polsce
Lernen beginnen
in Polen
kopalnia soli
Lernen beginnen
zoutmijn
widziec 3 czas
Lernen beginnen
zien, zag, gezien
przykro mi
Lernen beginnen
Het spijt me
nadzieja
Lernen beginnen
ik hoop, hopen
deszczowy
Lernen beginnen
regenachtig
w drodze
Lernen beginnen
onderweg
wczesniej
Lernen beginnen
vroger
lat/dni temu
Lernen beginnen
jaren/dagen geleden
nie miec nic do roboty
Lernen beginnen
Niks te doen hebben
uciekac
Lernen beginnen
Weglopen
deser
Lernen beginnen
toetje, dessert
miejsce
Lernen beginnen
de plaats, plek, plain
stac sie uzaleznionym
Lernen beginnen
verslaafd raken aan
byc uzaleznionym od
Lernen beginnen
verslaad zijn aan
uzaleznienie
Lernen beginnen
verslaving
przelatywac wokol glowy
Lernen beginnen
om de oren vliegen
uciazliwy
Lernen beginnen
lastig
zainspirowac sie
Lernen beginnen
raak geïnspireerd
byc na biezaco, miec na oku
Lernen beginnen
in de gaten houden,
byc na biezaco
Lernen beginnen
op de hoogte blijven
zreczny
Lernen beginnen
handig
zaplanowac
Lernen beginnen
inplannen
uwaga
Lernen beginnen
de aandacht
negatywne uczucie
Lernen beginnen
negatief gevoel
odobserwowac
Lernen beginnen
ontvolgen
skupiac sie
Lernen beginnen
focussen
powiadomienie
Lernen beginnen
melding
obchodzic sie
Lernen beginnen
omgaan
uzywac
Lernen beginnen
gebruik
obserwowac, patrzuc
Lernen beginnen
observeren, kijken
przemyslec
Lernen beginnen
bedenken
stale godziny
Lernen beginnen
vaste tijden
przewijac
Lernen beginnen
doorscrollen
wypelniac
Lernen beginnen
vullen
ustawic
Lernen beginnen
installen
wylaczyc
Lernen beginnen
uitzetten
przeziebiony
Lernen beginnen
verkouden
jestem przeziebiony
Lernen beginnen
ik ben verkuden
bol
Lernen beginnen
pijn
nie czuje sie dobrze
Lernen beginnen
ik voel me niet zo goed
katar
Lernen beginnen
loopneus
u kolegi
Lernen beginnen
bij mijn vriend (op bezoek)
zaprosic
Lernen beginnen
uitnodigen
zapraszam
Lernen beginnen
Ik nodig je uit
czasem
Lernen beginnen
soms/af en toe
krok po kroku
Lernen beginnen
stap voor stap
PRZYGOTOWAC
Lernen beginnen
VOORBEREIDEN
komfortowy
Lernen beginnen
comfortabel
na gorze
Lernen beginnen
boven
na dole
Lernen beginnen
beneden
mozliwosc
Lernen beginnen
mogelijkheid
pokazac
Lernen beginnen
laten zien
okolica
Lernen beginnen
de buurt
stary
Lernen beginnen
oud
napiwek
Lernen beginnen
tip, fooi
zaleta
Lernen beginnen
voordeel
wada
Lernen beginnen
nadeel
salon
Lernen beginnen
woonkamer
zachod
Lernen beginnen
Westen
tylko
Lernen beginnen
alleen
uzgodnic
Lernen beginnen
overleggen
wanna
Lernen beginnen
bad
uzywac
Lernen beginnen
gebruik
troszke drozszy
Lernen beginnen
wat duurder
sloneczny
Lernen beginnen
zonnig
mieszkac razem
Lernen beginnen
samenwonen
okreslony
Lernen beginnen
bepaald
przystawka
Lernen beginnen
voorgerecht
danie glowne
Lernen beginnen
hoofdgerecht
deser
Lernen beginnen
nagerecht, toetje
wiedziec
Lernen beginnen
weten
czy tez juz wiesz?
Lernen beginnen
weet je het ook al?
brudny
Lernen beginnen
vies, vuil
wybrac
Lernen beginnen
Kiezen
moze byc
Lernen beginnen
het gaat wel
malze
Lernen beginnen
mosselen
sprobowac
Lernen beginnen
proeven
tlusty
Lernen beginnen
vet
cieszyc sie
Lernen beginnen
genieten
uczniowie
Lernen beginnen
leerlingen
inaczej
Lernen beginnen
anders
zamkniety
Lernen beginnen
Gesloten, dicht
zapomniec
Lernen beginnen
vergeten
test
Lernen beginnen
de test, toest
skonczyc
Lernen beginnen
afmaken
pusty
Lernen beginnen
leeg
szukac
Lernen beginnen
zoeken
potrzebowac
Lernen beginnen
nodig hebben
nie potrzebuje tego
Lernen beginnen
ik heb het niet nodig
meble
Lernen beginnen
de meubels
umeblowany
Lernen beginnen
gemeubileerd
przechowywac
Lernen beginnen
bewaren
wpasc
Lernen beginnen
langskomen
wpadne
Lernen beginnen
Ik kom langs
chetniej
Lernen beginnen
liever
wstac
Lernen beginnen
opstaan
ciac
Lernen beginnen
snijden
dziura
Lernen beginnen
gat
zab
Lernen beginnen
tand/kies
zamowic
Lernen beginnen
bestellen
owoce
Lernen beginnen
fruit, vrichen
spokoj
Lernen beginnen
kalm, rust
jestem w trakcie, zajmuje sie
Lernen beginnen
ik ben bezig met
pare dań
Lernen beginnen
een paar gerechten
do wyrazania przyszlosci
Lernen beginnen
gaan
bedziemy gotowac
Lernen beginnen
wij gaan koken
panstwo
Lernen beginnen
land
nic szczegolnego
Lernen beginnen
niets bijonders
wiekszosc
Lernen beginnen
meerderheid
wygladac
Lernen beginnen
eruitzien
porownywalny
Lernen beginnen
vergelijkbaar
dach
Lernen beginnen
het dak
kanal (rzeka)
Lernen beginnen
gracht
rzeka
Lernen beginnen
de rivier
uczyc sie
Lernen beginnen
leren
czytac
Lernen beginnen
lezen
ciagle
Lernen beginnen
Nog steeds
jednak
Lernen beginnen
toch
kochac cos, lubic
Lernen beginnen
houden van
lekarz rodzinny
Lernen beginnen
Huisarts
zapomniec
Lernen beginnen
vergeten
jesc sniadanie
Lernen beginnen
ontbijt
wiedziec
Lernen beginnen
weten
wybraC
Lernen beginnen
kiezen
znac
Lernen beginnen
kennen
w tym tygodniu
Lernen beginnen
deze week
okolica
Lernen beginnen
omgeving
prawda
Lernen beginnen
de waarheid, waar
miod
Lernen beginnen
honing
typowy
Lernen beginnen
typisch
krol
Lernen beginnen
Koning
stolica
Lernen beginnen
kapitaal, hoofstad
duzo
Lernen beginnen
veel
wyraznie
Lernen beginnen
duidelijk
dziwny
Lernen beginnen
raar
miska
Lernen beginnen
de kom
na zdrowie
Lernen beginnen
gezondheid
szybkiego powrotu do zdrowia
Lernen beginnen
beterschap
na zdrowie (po kichnięciu)
Lernen beginnen
proost (na niezen)
kelner
Lernen beginnen
ober, serveester
nas
Lernen beginnen
ons
okno
Lernen beginnen
het raam
usiasc
Lernen beginnen
gaan zitten
w miedzczasie
Lernen beginnen
alvast
woda mineralna
Lernen beginnen
mineraalwater
jestem spragniony
Lernen beginnen
ik heb dorst
bardzo
Lernen beginnen
erg
tez
Lernen beginnen
ook
special dnia
Lernen beginnen
dagschotel
wybor
Lernen beginnen
keuzen
male
Lernen beginnen
beetje
agent nieruchomosci
Lernen beginnen
Makelaar
pokoj mieszkalny, zakwaterowanie
Lernen beginnen
woonruimte
przezemnie
Lernen beginnen
mezelf
mieszkac razem
Lernen beginnen
samenwonen
zaslona
Lernen beginnen
bepaald
mieszkanie na gorze
Lernen beginnen
bovenwoning
mozliwosc
Lernen beginnen
mogelijkheid
wynajem
Lernen beginnen
huur, huurprijs
podloga
Lernen beginnen
verdieping
daleko
Lernen beginnen
ver
blisko do
Lernen beginnen
dichtbij
metry kwadratowe
Lernen beginnen
vierkante meters
prosty
Lernen beginnen
eenvoudige
wanna
Lernen beginnen
bad
uzyc
Lernen beginnen
gebruik
odpowiedni
Lernen beginnen
geschikt
domy
Lernen beginnen
huizen
poniewaz
Lernen beginnen
omdat, want
WYNAJEM
Lernen beginnen
VERHUREN
umeblowane
Lernen beginnen
gemeubileerd
szafa
Lernen beginnen
garderobe, de kast
lozka
Lernen beginnen
bedden
krzeslo
Lernen beginnen
stoel
biurko
Lernen beginnen
bureu
lawka, sofa, kanapa
Lernen beginnen
bank
zaleta
Lernen beginnen
voordeel
nic
Lernen beginnen
niets
sloneczny
Lernen beginnen
zonne-
mieszkanie na dole
Lernen beginnen
benedenwoning
to brzmi swietnie
Lernen beginnen
dat lijkt me fantastisch
prawda
Lernen beginnen
de waar
dyskutowac, skonsultowAC SIE
Lernen beginnen
overleggen
dzwonic
Lernen beginnen
bellen
jak najszybciej to mozliwe
Lernen beginnen
zo snel mogelijk
nowy
Lernen beginnen
nieuw
moc, umiec, potrafic
Lernen beginnen
kunnen
lezec
Lernen beginnen
liggen
mierzyc
Lernen beginnen
meten
jesli, kiedy
Lernen beginnen
als,
ze
Lernen beginnen
dat
dziwny, zwariowany
Lernen beginnen
gek
uwielbiam, szaleje za
Lernen beginnen
ik ben gek op
wlasnie
Lernen beginnen
net
tani
Lernen beginnen
goedkoop
zadna roznica
Lernen beginnen
Geen verschil
w sobote
Lernen beginnen
op zaterdag
mozliwe
Lernen beginnen
mogelijk
cicho
Lernen beginnen
stil
zapytac
Lernen beginnen
vragen
spieszyc sie
Lernen beginnen
opschieten
pospiesz sie
Lernen beginnen
schiet op
bez
Lernen beginnen
zonder
dlatego
Lernen beginnen
daroom
zabrac ze soba
Lernen beginnen
meenemen
ciastko
Lernen beginnen
koekje
rozumiec
Lernen beginnen
verstaan
plecy
Lernen beginnen
de rug
chcesz przyjsc do mnie?
Lernen beginnen
wil je bij mij komen?
wypracowanie
Lernen beginnen
het opstel
sasiad, sasiadka
Lernen beginnen
buurman, buurvrow
zycie
Lernen beginnen
leven
happy birthday
Lernen beginnen
van harte gefeliciteerd
gratulacje za
Lernen beginnen
gefeliciteerd met
nadzieja
Lernen beginnen
de hoop, hope
jeszcze nie
Lernen beginnen
nog niet
pamietaj
Lernen beginnen
herinneren
razy
Lernen beginnen
keer
powiedzial
Lernen beginnen
verteld
ciasto
Lernen beginnen
de taart
znasz droge
Lernen beginnen
je weet de weg
pierwszy
Lernen beginnen
eerste
zobaczyl
Lernen beginnen
gezien
firma
Lernen beginnen
het bedrijf
ksiegowy
Lernen beginnen
accountant
czy sie myle
Lernen beginnen
bergis ik me
biuro
Lernen beginnen
het kantoor
wlasny
Lernen beginnen
eigen
zajety
Lernen beginnen
druk
znudzony
Lernen beginnen
verveeld
nigdy
Lernen beginnen
nooit
za granica
Lernen beginnen
Buitenland
slyszec
Lernen beginnen
horen, hoor
akcent
Lernen beginnen
accent
to prawda
Lernen beginnen
het is waar, het is klopt
ostatnio
Lernen beginnen
sinds kort, de laatste tijd
lubie to
Lernen beginnen
bevalte me
student
Lernen beginnen
de student
terapia logopedyczna
Lernen beginnen
logopedie
kazdy
Lernen beginnen
idere
nie calkiem
Lernen beginnen
niet echt
wedrowanie
Lernen beginnen
wandelen
co za zbieg okolicznosci
Lernen beginnen
wat toevallig
przygotowac sie do
Lernen beginnen
bereid me voor op
wycieczka piesza
Lernen beginnen
wandelreis
wycieczka
Lernen beginnen
reis
informacje
Lernen beginnen
informatie
interesujace
Lernen beginnen
interessant
zapisywac
Lernen beginnen
opslaan, opschriven
powoli
Lernen beginnen
langzaam
dlugopis
Lernen beginnen
pen
rozmawiac
Lernen beginnen
praten
od niedawna
Lernen beginnen
sinds kort
studiowac
Lernen beginnen
studeer
praca dodatkowa
Lernen beginnen
bijbaantje
targi turystyczne
Lernen beginnen
wandelenbeurs
zapamietac
Lernen beginnen
onthouden
w przeszlosci
Lernen beginnen
in het verleden
w przyszlosci
Lernen beginnen
in de toekomst
w dzisiejszych czasach/ obecnie
Lernen beginnen
tegenwoordig
zasady
Lernen beginnen
regels
wlasciciel
Lernen beginnen
eigenaar
holendrzy
Lernen beginnen
de Nederlanders
czesto
Lernen beginnen
vaak
przeliterowac
Lernen beginnen
spellen
my
Lernen beginnen
wij/we
wy
Lernen beginnen
jullie
pani/panstwo, ty
Lernen beginnen
u
ona ale tez oni
Lernen beginnen
zij maar ook zij/ze
krzyczec
Lernen beginnen
schreeuwen
kotek
Lernen beginnen
poesje
babcia
Lernen beginnen
de oma
dziadek
Lernen beginnen
de opa
gdzie?
Lernen beginnen
waar?
kiedy
Lernen beginnen
wanneer
jak
Lernen beginnen
hoe
kto
Lernen beginnen
wie
znac
Lernen beginnen
kennen
mam urodziny
Lernen beginnen
Ik ben jarig op
zauwazyc
Lernen beginnen
merken
zapomniec
Lernen beginnen
vergeten
w nocy
Lernen beginnen
in de nacht
wystepowac
Lernen beginnen
optreden
gdzies
Lernen beginnen
ergens
wymienic
Lernen beginnen
ruilen
w szpitalu
Lernen beginnen
in het ziekenhuis
ale fajnie
Lernen beginnen
wat leuk
nie do konca, niekoniecznie
Lernen beginnen
niet helemaal, niet echt
duzo, wiecej, najwiecej
Lernen beginnen
veel, meer, het meest
przypadkiem
Lernen beginnen
toevallig
czy moze pani mowic wolniej
Lernen beginnen
kan je/kunt u wat langzaamer praten
gdzie mieszkasz
Lernen beginnen
waar woon je
skad pochodzisz
Lernen beginnen
waar kom je vandaan
opoznienie
Lernen beginnen
vertraging
z drugiej reki, uzywany
Lernen beginnen
tweedehands, gebruikt
malzenstwo
Lernen beginnen
echtpaar
umrzec
Lernen beginnen
overleiden
jaka data?
Lernen beginnen
OP welke datum?
w dzien tygodnia
Lernen beginnen
op...
o godzinie
Lernen beginnen
OM...
w miesiacu
Lernen beginnen
in...
w roku
Lernen beginnen
in...
jakas konkretna data
Lernen beginnen
op + data (op 26 januari)
trabic
Lernen beginnen
toeteren
tam
Lernen beginnen
daar
poduszka
Lernen beginnen
hoofdkussen, kussen
smiac sie
Lernen beginnen
lach
latwy
Lernen beginnen
makkelijk
czytac na glos
Lernen beginnen
voorlezen
wsiadac
Lernen beginnen
ga verder
miejsce
Lernen beginnen
de plaats, plek
nazywac sie
Lernen beginnen
heten
mily
Lernen beginnen
aardig
kaczka
Lernen beginnen
eend
dorosly
Lernen beginnen
volwassen
zaczynac
Lernen beginnen
beginnen
zapasc w sen
Lernen beginnen
in slaap vallen
widziec
Lernen beginnen
zien
wylaczyc
Lernen beginnen
uitdoen
calowac
Lernen beginnen
kus, zoenen
okolo
Lernen beginnen
over, ongeveerd
prosiak
Lernen beginnen
varken
kochany
Lernen beginnen
lieverd
skrzynka pocztowa
Lernen beginnen
Postbus, brievenbus
pielegniarka
Lernen beginnen
verpleegster
rozmawiac
Lernen beginnen
praten
w ciagu dnia
Lernen beginnen
overdag
odwolywac
Lernen beginnen
afzeggen
tani
Lernen beginnen
goedkoop
drzemka
Lernen beginnen
dutje
nie za duzo
Lernen beginnen
niet te veel
dobrze sie bawilem
Lernen beginnen
Ik had plezier (veel)
sluchawki
Lernen beginnen
koptelefoon
czasem
Lernen beginnen
soms
wysylac
Lernen beginnen
sturen
czesto
Lernen beginnen
vaak
duzo
Lernen beginnen
veel
paczka
Lernen beginnen
pakketje
kamper
Lernen beginnen
camper, caravan
golebie
Lernen beginnen
duiven
zgubic, stracic
Lernen beginnen
verliezen, verliezen
wysłać
Lernen beginnen
Sturen
często
Lernen beginnen
Vaak
dużo
Lernen beginnen
Veel
paczka
Lernen beginnen
Het pakketje
kamper
Lernen beginnen
De caravan
gołębie
Lernen beginnen
De duiven
stracić, zgubić
Lernen beginnen
Verliezen
zgubiłem
Lernen beginnen
Ik ben... kwijt
wychodzić, wyjść, wyruszać
Lernen beginnen
Vertrekken
Rozdzielnie złożone:
Lernen beginnen
Geassembleerd schakelmateriaal:
rozwiazywac
Lernen beginnen
oplossen
położyć
Lernen beginnen
Neerzetten
oddać
Lernen beginnen
Wegegeven
przybywać
Lernen beginnen
Aankomen
wsiadać
Lernen beginnen
Instappen
wysiadać
Lernen beginnen
Uitstappen
wyspać się
Lernen beginnen
Uitslapen
myć
Lernen beginnen
Afwassen
zamykać
Lernen beginnen
Dichtdoen
otwierać
Lernen beginnen
Opendoen
zapisać
Lernen beginnen
Opschrijven
włączyć
Lernen beginnen
Aandoen
wyłączyć
Lernen beginnen
Uitdoen
poradzić sobie
Lernen beginnen
Aankunnen
szykować, przyrządzać
Lernen beginnen
Klaarmaken
ubierać
Lernen beginnen
Aantrekken
wyszukać
Lernen beginnen
Opzoeken
wiązać, łączyć
Lernen beginnen
Vastmaken
zapraszać
Lernen beginnen
Uitnodigen
dzwonić
Lernen beginnen
Opbellen
odebrać
Lernen beginnen
Ophalen
wypełniać
Lernen beginnen
Invullen
spotykać
Lernen beginnen
Tegenkomen
występować
Lernen beginnen
Voorkomen
patrzeć wokół
Lernen beginnen
Omkijken
wyprzedzić
Lernen beginnen
Inhalen
zapisać się, zarejestrować
Lernen beginnen
Zich inschrijven
czuć się
Lernen beginnen
Zich voelen
nudzić się
Lernen beginnen
Zich vervelen
spieszyć się
Lernen beginnen
Zich haasten
pamiętać
Lernen beginnen
Zich herinneren
przedstawiać się
Lernen beginnen
Zich voorstellen
myć się
Lernen beginnen
Zich wassen
pomylić się
Lernen beginnen
Zich vergissen
brać prysznić
Lernen beginnen
Zich douchen
pogoda
Lernen beginnen
Het weer
ważny
Lernen beginnen
Belangrijk
ile?
Lernen beginnen
Hoeveel?
głośnik
Lernen beginnen
De luidspreker
nigdy
Lernen beginnen
Nooit
oferta
Lernen beginnen
het aanbod
liczyć
Lernen beginnen
tellen
wypowiedzieć umowę o pracę
Lernen beginnen
de arbeidsovereenkomst opzeggen
mięśnie
Lernen beginnen
de spieren
zapłacić
Lernen beginnen
betalen
zmienić
Lernen beginnen
veranderen
poprzedni
Lernen beginnen
vorig
wynagrodzenie
Lernen beginnen
het salaris
wynagrodzenie
Lernen beginnen
het loon
zmywać
Lernen beginnen
afwassen
silny
Lernen beginnen
sterk
tylko
Lernen beginnen
alleen
odcinek
Lernen beginnen
de afleverig
znany
Lernen beginnen
bekend
zawody
Lernen beginnen
de wedstrijd
rząd, kolejka
Lernen beginnen
de rij
gazeta, liść
Lernen beginnen
het blad
szkoda
Lernen beginnen
jammer
fajnie
Lernen beginnen
fijn
gruszka
Lernen beginnen
de peer
winogrona
Lernen beginnen
de druiven
bezpieczny
Lernen beginnen
veilig
ofiara
Lernen beginnen
de slachtoffer
mieć na coś ochotę
Lernen beginnen
zin in iets hebben
wiosna
Lernen beginnen
het voorjaar
nudny, irytujący
Lernen beginnen
vervelend
ziewać, gapić się
Lernen beginnen
gapen
trudny
Lernen beginnen
Moeilijk
łatwy
Lernen beginnen
Makkelijk
wiewiórka
Lernen beginnen
De eekhoorn
traktować
Lernen beginnen
Behandelen
Slecht
Lernen beginnen
źle
szansa
Lernen beginnen
De kans
inaczej
Lernen beginnen
Anders
porównywalny
Lernen beginnen
Vergelijkbaar
na rogu
Lernen beginnen
Op de hoek
popołudnie
Lernen beginnen
De middag
pamiętać
Lernen beginnen
Zich herinneren
zapomnieć
Lernen beginnen
Vergeten
naprzeciw
Lernen beginnen
Tegenover
żona
Lernen beginnen
De vrouw
większość ludzi
Lernen beginnen
De meeste mensen
bać się
Lernen beginnen
Bang zijn
ten sam, tak samo
Lernen beginnen
Hetzelfde
wybór
Lernen beginnen
De keuze
miesiąc
Lernen beginnen
De maand
na początku
Lernen beginnen
Aan het begin
organizować
Lernen beginnen
Organiseren
tylko
Lernen beginnen
Alleen
odwiedziny
Lernen beginnen
Het bezoek
próbować
Lernen beginnen
Proberen
ciasto, ciastko
Lernen beginnen
Het gebak
znany
Lernen beginnen
Beroemd
język
Lernen beginnen
De taal
zostać
Lernen beginnen
Blijven
wstać
Lernen beginnen
Opstaan
świętować
Lernen beginnen
Vieren
od
Lernen beginnen
Vanaf
właściwie
Lernen beginnen
Eigenlijk
intymny
Lernen beginnen
Intiem
w dzisiejszych czasach, dziś
Lernen beginnen
Tegenwoordig
dbać o, pielęgnować
Lernen beginnen
Zorgen voor
piosenkarz
Lernen beginnen
De zanger
piosenkarka
Lernen beginnen
De zangeres
przyszły
Lernen beginnen
Komend
występować
Lernen beginnen
Optreden
nie móc się doczekać
Lernen beginnen
uitkijken naar
małżeństwo
Lernen beginnen
de echtpaar
ślub, wesele, małżeństwo
Lernen beginnen
de bruiloft
zdziwiony
Lernen beginnen
verbaasd
mam urodziny
Lernen beginnen
ik ben jarig
z którego peronu odjeżdża pociąg?
Lernen beginnen
van welk spoor vertrekt de trein?
co się dzieje? Co się stało?
Lernen beginnen
Wat is er aan de hand?
ona powiedziała
Lernen beginnen
ze heeft gezegd
potwiedzenie
Lernen beginnen
de bevestiging
doceniać, szanować
Lernen beginnen
waarderen
po
Lernen beginnen
na
jem śniadanie
Lernen beginnen
ik ontbijt
zaleta
Lernen beginnen
het voordeel
wada
Lernen beginnen
het nadeel
wady
Lernen beginnen
de nadelen
zbierać
Lernen beginnen
verzamelen
odcinek
Lernen beginnen
De aflevering
najczęściej
Lernen beginnen
Meestal
odpowiedzieć
Lernen beginnen
Beantwoorden
wspaniale
Lernen beginnen
Uitstekend
spokojny, cichy
Lernen beginnen
Rustig
mieć z czymś trudność
Lernen beginnen
Moeite met iets hebben
irytujący
Lernen beginnen
Vervelend
niebezpieczny
Lernen beginnen
Gevaarlijk
ruch
Lernen beginnen
Het verkeer
wybrać
Lernen beginnen
Kiezen
rzeczy
Lernen beginnen
De dingen
blisko
Lernen beginnen
Dichtbij
daleko
Lernen beginnen
Ver
przede wszystkim
Lernen beginnen
Vooral
całkowicie
Lernen beginnen
Helemaal
wypadek, pech
Lernen beginnen
Het ongeluk
lang
dłużej
het langst
Lernen beginnen
langer
najdłużej
długo
na netflixie
Lernen beginnen
op netflix
pomocny
Lernen beginnen
behulpzaam
opowiadać
Lernen beginnen
vertellen
być pod wrażeniem
Lernen beginnen
onder de indruk zijn
wózek sklepowy
Lernen beginnen
de winkelkar
wózek sklepowy
Lernen beginnen
de winkelwagen
taki sam
Lernen beginnen
dezelfde
wynająć
Lernen beginnen
huren
Chetnie chetniej najchetniej
Lernen beginnen
graag liever liefst
myśleć o
Lernen beginnen
denken aan
całkowicie
Lernen beginnen
helemaal
drapać
Lernen beginnen
krabben
szyć
Lernen beginnen
naaien
sypać, rozrzucić
Lernen beginnen
strooien
oszczędzać
Lernen beginnen
sparen
brac prysznic
Lernen beginnen
douchen-gedoucht
organizator
Lernen beginnen
de organisator
całować
Lernen beginnen
zoenen
jestem w małżeństwie
Lernen beginnen
ik ben getrouwd
szyć
Lernen beginnen
naaien
ubrania
Lernen beginnen
de kleren
mierzyć
Lernen beginnen
passen
mokry
Lernen beginnen
nat
gałąź
Lernen beginnen
tak
wiać
Lernen beginnen
waaien
obradować
Lernen beginnen
vergaderen
bać się
Lernen beginnen
vrezen
wazon
Lernen beginnen
de vaas
ważyć
Lernen beginnen
wegen
zdać
Lernen beginnen
slagen (ik ben geslaagd)
oblać
Lernen beginnen
zakken(ik ben gezakt)
palić, płonąć
Lernen beginnen
branden
szeleścić
Lernen beginnen
ruisen
wędrownik
Lernen beginnen
de wandelaar
dobranoc
Lernen beginnen
welterusten
paść się
Lernen beginnen
grazen
malować
Lernen beginnen
verven
chwalić
Lernen beginnen
prijzen
wiadomość
Lernen beginnen
het bericht
dziwić się
Lernen beginnen
verbazen
machać
Lernen beginnen
wuiven
mieć ochotę na coś
Lernen beginnen
zin in iets hebben
przeciwnik
Lernen beginnen
de tegenstander
staram się jak mogę
Lernen beginnen
ik doe mijn best
cieszyć się
Lernen beginnen
juichen
z radości
Lernen beginnen
van vreugde
nagle
Lernen beginnen
plotseling
pojawić się
Lernen beginnen
verschijnen
brzydki
Lernen beginnen
leilijk
gwizdać
Lernen beginnen
fluiten
przyjaciele
Lernen beginnen
de vrienden
serial
Lernen beginnen
tv serie
w końcu
Lernen beginnen
uitendelijk
zioło
Lernen beginnen
de wiet
poznać
Lernen beginnen
kennen leren
poznałem ją rok temu
Lernen beginnen
Ik heb haar een jaar geleden leren kennen
poznać się
Lernen beginnen
kennis maken
pożywny
Lernen beginnen
voedzaam
z Polski
Lernen beginnen
uit Polen
w zeszłym tygodniu
Lernen beginnen
Vorige week
przyciągać uwagę
Lernen beginnen
aanddacht trekken
siłownia
Lernen beginnen
de sportschool
zjadlem
Lernen beginnen
ik heb gegeten (eten= gegeten)
Skończyłam pracę o 16:00
Lernen beginnen
Ik heb om 16 uur mij werk afgemaakt
myśleć
Lernen beginnen
Denken= gedacht
planowalem
Lernen beginnen
ik was van plan om...
kupić
Lernen beginnen
kopen= gekocht
dwa lata temu
Lernen beginnen