Lekcja 11-12

 0    191 Datenblatt    Damian Danielewicz
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
przyjemny, przyjemnie
Lernen beginnen
aangenaam
zaznaczać, zakreślać
Lernen beginnen
aankruisen
kruiste aan, krusiten aan, (h) aangekruist
dotykać, dotknąć
Lernen beginnen
aanraken
raakte aan, rakten aan, (h) aangeraakt
uzupełniać, uzupełnić
Lernen beginnen
aanvulling
vulde aan, vulden aan, (h) aangevuld
geografia
Lernen beginnen
de aardrijkskunde
de(v)
aerobik
Lernen beginnen
het aerobic
skończyć/ukończyć studia
Lernen beginnen
afstuderen
studeerde af, studeerden af, (h) afgestudeerd
przedmiot ogólny
Lernen beginnen
het algemeen vak
het, algemene vakken
przede wszystkim
Lernen beginnen
allereerst
inny
Lernen beginnen
ander
w przeciwnym razie, inaczej
Lernen beginnen
anders
studia licencjackie
Lernen beginnen
de Bacheloropleiding
de(v), pl. bacheloropleidingen
długopis
Lernen beginnen
de balpen
de(m/v), pl. balpennen
podstawowa gramatyka
Lernen beginnen
de basisgrammatica
de(v)
szkolnictwo podstawowe
Lernen beginnen
het basisonderwijs
szkoła podstawowa
Lernen beginnen
de basisschool
de(m/v), pl basisscholen.
odpowiadać (na coś)
Lernen beginnen
beantwoorden
beantwoordde, beantwoorden, (h), beantword
obraz, obrazek; zdjęcie
Lernen beginnen
het beeld
het, pl. beelden
opanowywać, opanować
Lernen beginnen
beheersen
beheerste, behheersten, (h) beheerst
Berlin
Lernen beginnen
Berlijn
polepszyć się
Lernen beginnen
beter worden
werd, werden, (z) geworden
prawie
Lernen beginnen
bijna
za granicą
Lernen beginnen
het Buitenland
ocena
Lernen beginnen
het cijfer
het, pl. cijfers
(po)łączyć
Lernen beginnen
combineren
combineerde, combineerden, (h) gecombineerd
komunikować się, porozumiewać się
Lernen beginnen
communiceren
comuniceerde, comuniceerden, (h) gecomuniceer
konkretny, konkretnie
Lernen beginnen
concreet
kultura i sztuka
Lernen beginnen
de culturele en kunstzinnige vorming
de(v)
kultura
Lernen beginnen
de cultuur
de(v), pl. culturen
z tym, przez to
Lernen beginnen
daarmee
Co chcesz przez to powiedzieć?
Lernen beginnen
Wat wil jij daarmee zeggen?
dlatego
Lernen beginnen
daarom
panie i panowie
Lernen beginnen
dames en heren
dzisiejszy świat
Lernen beginnen
de wereld van nu
brać/wziąć udział w
Lernen beginnen
deelnemen aan
nam deel, nemen deel, (h)deelgenamen
mimo to
Lernen beginnen
desondanks, niettemin, toch
wgłębienie, wgniecenie
Lernen beginnen
de deuk
de(m/v), pl. deuken
tu: przez
Lernen beginnen
door
egzamin dojrzałości
Lernen beginnen
het eindexamen
het, pl. eindexamens
egzamin
Lernen beginnen
het examen
het, pl examens
formalny, formalnie
Lernen beginnen
formeel
sałatka owoowa
Lernen beginnen
de fruitsalade
de(m/v) pl. fruitsalades
więcien
Rodzaj pułapi na ryby
Lernen beginnen
de fuik
de(m/v), pl. fuiken
używać, użyć, (za)stosować
Lernen beginnen
gebruiken
gebruikte, gebruikten, (h) gebruikt
Nie martw się/ Nie martwcie się
Lernen beginnen
geen zorgen!
emerytowany
Lernen beginnen
gepensioneerd
historia
Lernen beginnen
de geschiedenis
de(v)
znormalizowany
Lernen beginnen
gestandaardiseerd
rynna, ściek, rynsztok
Lernen beginnen
de goot
de(m/v) pl. goten
żart
Lernen beginnen
de grap
de(m/v), pl. grappen
urwis, łobuz
Lernen beginnen
de guit
de(m), pl. guiten
lekcja gimnastyki
Lernen beginnen
de gymnastiekles
de(m/v), pl. gymnastieklessen
Szkoła ponadpodstawowa ogólnokształcąca
Lernen beginnen
de HAVO
Hoger algemeen voortgezet onderwijs pl. havo's
studia zawodowe
Lernen beginnen
het HBO
hoger beroepsonderwijs
*nie* musieć, potrzebować
Używane wyłącznie z przeczenia, np. z niet, geen, niemand, niets, czyli w znaczeniu nie musieć, nie potrzebować
Lernen beginnen
hoeven
hoefde, hoefden, (h) gehoefd/ gehoeven
Szkolnictwo wyższe
Lernen beginnen
het Hoger onderwijs
Szkoła wyższa
Lernen beginnen
de hogeschool
de(m/v)
być w pierwszej klasie
Lernen beginnen
in de eerste klas zitten
zat, zaten, (h) gezeten
za granica
Lernen beginnen
in het Buitenland
być na pierwszy roku
Lernen beginnen
in het eerste jaar zitten
zat, zaten, (h)gezeten
informatyka
Lernen beginnen
de Informatica
de(v)
skomplikowany
Lernen beginnen
ingewikkeld
międzynarodowy
Lernen beginnen
internationaal
internet
Lernen beginnen
het internet
młodzież
Lernen beginnen
de jeugd
de(m/v)
swędzenie
Lernen beginnen
de jeuk
de(m)
żyd
Lernen beginnen
de Jood
de(m)
wybór
Lernen beginnen
de keus
de(m/v), pl. keuzen
przedmiot do wyboru
Lernen beginnen
het keuzevak
het, pl. keuzevakken
kolor
Lernen beginnen
de kleur
de(m/v), pl. kleuren
kolorowy, kolorowo
Lernen beginnen
kleurrijk
książka kucharska
Lernen beginnen
het Kookboek
het, pl. kookboeken
kupiec, handlarz
Lernen beginnen
de koopman
de(m), pl. kooplieden/kooplui
przyprawiać, przyprawić
Lernen beginnen
kruiden
kruidde, kruidden, (h) gekruid
konserwować jedzenie
Lernen beginnen
kuipen
kuipte, kuipten, (h) gekuipt
czysty, czysto, niewinny, niewinnie
Lernen beginnen
kuis
cielak, cielę
Lernen beginnen
de kuis
de(v), pl. kuizen
wolniej
Lernen beginnen
langzamer
materiał (do nauki)
Lernen beginnen
de leerstof
de(m/v)
plan lekcji
Lernen beginnen
de lesrooster
de(m)/het, pl. lesroosters
godzina lekcyjna
Lernen beginnen
het lesuur
pl. lesuren
wychowanie fizyczne
Lernen beginnen
lichamelijke opvoeding
rodzajnik
Lernen beginnen
het lidwoord
het, pl. lidwoorden
piosenka
Lernen beginnen
het liedje
het, pl. liedjes
miłość
Lernen beginnen
de liefde
de(v), pl. liefden/liefdes
głośno
Lernen beginnen
luid
mówić głośno
Lernen beginnen
luid spreken
sprak, spraken, (h) gesproken
głośniej
Lernen beginnen
luider
wiedza o społeczeństwie
Lernen beginnen
de Maatschappijleer
de(m/v)
sposób
w sposób, w ten sposób, w inny sposób
Lernen beginnen
de manier
w sposób - op een manier, w ten sposób - op deze manier, w inny sposób - op een andere manier (de m/v), pl. manieren
zaznaczać, zaznaczyć
Lernen beginnen
markeren
markeerde, markeerden, (h) gemarkeerd
Studia magisterskie
Lernen beginnen
de MAsteropleiding
de(v)
praca magisterska
Lernen beginnen
de masterscriptie
de(v), pl. masterscripties
szkolnictwo średnie zawodowe
Lernen beginnen
middelbaar beroepsonderwijs
het, MBO
mgła
Lernen beginnen
de mist
de(m), pl, misten
obok; oprócz
Lernen beginnen
naast
fizyka
Lernen beginnen
de natuurkunde
de(v)
niderlandzkojezyczny
Lernen beginnen
Nederlandstalig
nos
Lernen beginnen
de neus
de(m), pl. neuzen
nikt
Lernen beginnen
niemand
nic
Lernen beginnen
niets
(po)numerować
Lernen beginnen
nummeren
nummerde, nummerden, (h) genummerd
ćwiczyć
Lernen beginnen
oefenen
oefende, oefenden, (h) geoefend
edukacja
Lernen beginnen
het onderwijs
zapamiętywać, zapamiętać
Lernen beginnen
onthouden
onthield, onthielden, (h) onthouden
zadanie
Lernen beginnen
de opdracht
de(m/v), pl. opdrachten
orientalistyka
Lernen beginnen
de Oriëntalistiek
de(v)
strona
Lernen beginnen
de pagina
de(m/v), pl. pagina's
ołówek
Lernen beginnen
het potlood
pl. potloden
dokładnie, dokładny
Lernen beginnen
precies
profil
Lernen beginnen
het profiel
pl. profielen
przedmiot kierunkowy
Lernen beginnen
het profielvak
pl. profielvakken
wystawać
Ubrania wystają z szafy
Lernen beginnen
puilen
puilde, puilden, (h) gepuild - de kleren puilen uit de kast
pod względem, jeśli chodzi o
Lernen beginnen
qua
rekreacja
Lernen beginnen
de recreatie
de(v)
reguła, zasada
Lernen beginnen
de regel
de(m), pl. regels
róża
Lernen beginnen
de roos
de(m/v), pl. rozen
szum, szmer
Lernen beginnen
de ruis
de(m), pl. ruuizen
chemia
Lernen beginnen
de scheikunde
de(v)
podręcznik szkolny
Lernen beginnen
het schoolboek
autobus szkolny
Lernen beginnen
de schoolbus
de(m), pl. schoolbussen
dzień zajęć w szkole
Lernen beginnen
de schooldag
de(m), pl. schooldagen
egzamin szkolny
Lernen beginnen
het schoolexamen
het, pl. schoolexamens
rok szkolny
Lernen beginnen
het schooljaar
het, pl. schooljaren
skończyć ukończyć szkołę
Lernen beginnen
schoolopleiding afmaken/voltooien
maakte af, maakten af, (h) afgemaakt/ voltooide, voltooiden, (h) voltooid
wakacje, ferie
Lernen beginnen
de schoolvacantie
de(v), pl. schoolvacanties
zeszyt
Lernen beginnen
het schrift
pl. schriften
język pisany
Lernen beginnen
de schriftaal
de(m/v)
atmosfera
Lernen beginnen
de sfeer
de(m/v), pl, sferen
sytuacja
Lernen beginnen
de situatie
de(m), pl. situaties
zdać coś/ zaliczyć coś
Lernen beginnen
slagen voor
slagde, slagden, (z) geslagd
śnieg
Lernen beginnen
de sneeuw
de(m/v)
kurs przygotowujący do poszukiwania/znalezienia pracy
Lernen beginnen
de sollicitatiecursus
de(m), pl. sollicitatiecursussen
język mówiony
Lernen beginnen
de spreektaal
de(m/v)
przysłowie
Lernen beginnen
het spreekwoord
het, pl. spreekwoorden
sikawka; strzykawka; zastrzyk
Lernen beginnen
de spuit
de(m/v), pl. spuiten
praktyka, staż
Lernen beginnen
de stage
de(m/v), pl. stages
odby(wa)ć staż
Lernen beginnen
stage lopen
liep, liepen, (h) gelopen
studia
Lernen beginnen
de studie
de(v), pl. studies
standardowy język niderlandzki
Lernen beginnen
het standaardNederlands
podręcznik akademicki
Lernen beginnen
het studieboek
sympozjum
Lernen beginnen
de studiedag
de(m), pl. studiedagen
czas trwania studiów
Lernen beginnen
de studieduur
de(m)
rok akademicki
Lernen beginnen
het studiejaar
pl. studiejaren
kierunek studiów
Lernen beginnen
de studierichting
de(v).pl studierichtingen
znajomość języka, stopień opanowania języka
Lernen beginnen
de taalbeheersing
de(v)
ciasto, tort, tarta
Lernen beginnen
de taart
de(m/v).pl. taarten
tabela
Lernen beginnen
de tabel
de(m/v), pl. tabellen
torba
Lernen beginnen
de tas
de(m/v), pl. tassen
za każdym razem, każdorazowo
Lernen beginnen
telkens
oddzwonić
Lernen beginnen
terugbellen
belde terug, belden terug, (h) teruggebeld
odpisywać, odpisać
Lernen beginnen
terugschrijven
schreef terug, schreven terug, (h) teruggeschreven
łyk, haust; dech powietrza
Lernen beginnen
de teug
de(m/v), pl. teugen
temat
Lernen beginnen
het thema
pl. thema's
teoretycznie, teoretyczny
Lernen beginnen
theoretisch
turysta, turystka
Lernen beginnen
de toerist
de(m), pl. toeristen
drugi
Lernen beginnen
tweede
typ, rodzaj
Lernen beginnen
het type
pl. typen/types
wymawiać
Lernen beginnen
uitspreken
sprak uit, spraken uit, (h)uitgespraken
uniwersytet
Lernen beginnen
de universiteit
de(v), pl universiteiten
przedmiot
nauczany w szkole
Lernen beginnen
het vak
pl. vakken
dzień wakacji/urlopu
Lernen beginnen
de vakantiedag
de(m).pl vacantiedagen
od siebie
Lernen beginnen
van elkaar
wariant
Lernen beginnen
de variant
de(m/v), pl. varianten
chwytać, chwycić, brać/wziąć do ręki
Lernen beginnen
vastpakken
pakte vast, pakten vast, (h) vastgepakt
poprawiać, poprawić, polepszyć
Lernen beginnen
verbeteren
verbeterde, verbeterden, (h) verbeterd
różnić się od
Lernen beginnen
verschillen van
verschild, verschilden, (h) verschild
męczący/o, denerwujący/o, irytujący/o, dokuczliwy/wie, nieznośny
Lernen beginnen
vervelend
źrebak, źrebie
Lernen beginnen
het veulen
pl. veulens
gumka do mazania
Lernen beginnen
de vlakgom, de vlakgum
de(m)
szkooła ponadpodstawowa zawodowa
Lernen beginnen
Voorbereiend middelbaar beroeponderwijs
VMBO
kurator
Lernen beginnen
de voogd
de (m), pl. voogden
żartem, w żartach, dla żartu
Lernen beginnen
voor de grap
przede wszystkim
Lernen beginnen
vooral
skończyć się
np. rok szkolny
Lernen beginnen
voorbij zijn
was, waren, (z) geweest
szkolnictwo ponadpodstawowe
Lernen beginnen
het voortgezet onderwijs
pytanie
Lernen beginnen
de vraag
de(m/v), pl. vragen
odpowiadać na pytania
Lernen beginnen
vragen beantwoorden
beantwoordde, beantwoordden, (h) beantwoord
zadawać pytania
Lernen beginnen
vragen stellen
stelde, stelden, (h) gesteld
WC
Lernen beginnen
de wc
de(m), pl. wc's
studia akademickie
Lernen beginnen
Wetenschappelijk onderwijs
WO
wiatr
Lernen beginnen
de wind
de(m), pl. winden
słownik
Lernen beginnen
het woordenboek
pl. woordenboeken
stać się, zostać
Lernen beginnen
worden
werd, werden (z) geworden
Joga
Lernen beginnen
de Yoga
de(m/v)
interesy, biznesy
Lernen beginnen
de zaken
nie zdać czegoś, nie zaliczyć czegoś, oblać
Lernen beginnen
zakken voor
zakte, zakten, (z) gezakt
locha, maciora
Lernen beginnen
de zeug
de (m), pl. zeugen
dawać z siebie wszystko
Lernen beginnen
zijn best doen
deed, deden, (h) gedaan
słońce
Lernen beginnen
de zon
de(m/v), pl. zonnen
bez
Lernen beginnen
zonder

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.