sl 15

 0    50 Datenblatt    ganajerski
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Mijn oma woont in een klein huis.
Lernen beginnen
Moja babcia mieszka w małym domu.
De buurman heeft een nieuwe auto.
Lernen beginnen
Sąsiad ma nowy samochód.
Mijn opa leest elke ochtend de krant.
Lernen beginnen
Mój dziadek czyta gazetę każdego ranka.
De patiënt wacht op de dokter.
Lernen beginnen
Pacjent czeka na lekarza.
De chauffeur rijdt heel rustig.
Lernen beginnen
Kierowca jedzie bardzo spokojnie.
De mat ligt voor de deur.
Lernen beginnen
Wycieraczka leży przed drzwiami.
Het dak is rood.
Lernen beginnen
Dach jest czerwony.
De bel doet het niet.
Lernen beginnen
Dzwonek nie działa.
De kastdeur is open.
Lernen beginnen
Drzwi szafy są otwarte.
De schuur staat achter het huis.
Lernen beginnen
Szopa stoi za domem.
Ik eet een boterham met kaas.
Lernen beginnen
Jem kanapkę z serem.
De komkommer ligt in de koelkast.
Lernen beginnen
Ogórek leży w lodówce.
De ui is heel sterk.
Lernen beginnen
Cebula jest bardzo ostra.
Ik kook rijst voor het avondeten.
Lernen beginnen
Gotuję ryż na kolację.
De maaltijd is warm en lekker.
Lernen beginnen
Posiłek jest ciepły i smaczny.
De winkelwagen staat bij de ingang.
Lernen beginnen
Wózek sklepowy stoi przy wejściu.
Ik zoek een aanbieding voor koffie.
Lernen beginnen
Szukam promocji na kawę.
De bon ligt in mijn tas.
Lernen beginnen
Paragon leży w mojej torbie.
De verpakking is kapot.
Lernen beginnen
Opakowanie jest zepsute.
De maat van deze broek is te klein.
Lernen beginnen
Rozmiar tych spodni jest za mały.
De halte is om de hoek.
Lernen beginnen
Przystanek jest za rogiem.
De rit duurt tien minuten.
Lernen beginnen
Przejazd trwa dziesięć minut.
De brug is heel oud.
Lernen beginnen
Most jest bardzo stary.
Het centrum is altijd druk.
Lernen beginnen
Centrum jest zawsze zatłoczone.
Ik kijk op de plattegrond.
Lernen beginnen
Patrzę na plan miasta.
De datum staat op de kalender.
Lernen beginnen
Data jest na kalendarzu.
In de lente groeien veel bloemen.
Lernen beginnen
Wiosną rośnie wiele kwiatów.
De kou komt in de winter.
Lernen beginnen
Zimno przychodzi zimą.
De warmte is fijn in de zomer.
Lernen beginnen
Ciepło jest przyjemne latem.
Het moment is perfect.
Lernen beginnen
Moment jest idealny.
De docent geeft een korte les.
Lernen beginnen
Nauczyciel daje krótką lekcję.
De student maakt een oefening.
Lernen beginnen
Uczeń robi ćwiczenie.
De pauze duurt tien minuten.
Lernen beginnen
Przerwa trwa dziesięć minut.
Ik schrijf het antwoord in mijn schrift.
Lernen beginnen
Piszę odpowiedź w zeszycie.
Het lokaal is groot en licht.
Lernen beginnen
Sala jest duża i jasna.
Ik heb een vraag over de taak.
Lernen beginnen
Mam pytanie o zadanie.
Het idee is simpel.
Lernen beginnen
Pomysł jest prosty.
De fout is niet groot.
Lernen beginnen
Błąd nie jest duży.
Ik krijg hulp van mijn collega.
Lernen beginnen
Dostaję pomoc od kolegi z pracy.
De keuze is moeilijk.
Lernen beginnen
Wybór jest trudny.
Ik koop zeep in de winkel.
Lernen beginnen
Kupuję mydło w sklepie.
De borstel ligt in de badkamer.
Lernen beginnen
Szczotka leży w łazience.
De pleister zit op mijn vinger.
Lernen beginnen
Plaster jest na moim palcu.
Ik heb pijn in mijn knie.
Lernen beginnen
Mam ból w kolanie.
De afspraak is om tien uur.
Lernen beginnen
Wizyta jest o dziesiątej.
De kip loopt in de tuin.
Lernen beginnen
Kura chodzi po ogrodzie.
De geit eet gras.
Lernen beginnen
Koza je trawę.
Het blad valt van de boom.
Lernen beginnen
Liść spada z drzewa.
De regen komt uit een donkere wolk.
Lernen beginnen
Deszcz wychodzi z ciemnej chmury.
De steen ligt op het pad.
Lernen beginnen
Kamień leży na ścieżce.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.