das Wörterbuch Deutsch Minus niederländisch

Deutsch - Nederlands, Vlaams

flugzeug Holländisch:

1. vliegtuig vliegtuig


Het papieren vliegtuig gleed langzaam naar de grond.
Dat vliegtuig is pas groot!
Ik heb een papieren vliegtuig gemaakt.
Het vliegtuig is onderweg van Tokio naar Italië.
Het vliegtuig is zo lelijk.
Toen zagen de inboorlingen voor het eerst een vliegtuig.
Ik ga liever met het vliegtuig.
Vanaf morgen kunt ge zonder risico naar huis gaan per trein, auto of vliegtuig.
Vraag hem wanneer het volgende vliegtuig gaat.
John vloog met een vliegtuig naar Amerika.
Het vliegtuig had vertraging door het slechte weer.
Ik ben altijd zenuwachtig voor ik in een vliegtuig stap.
Met als uitleg dat ze niet en een echtgenote konden onderhouden, en een vliegtuig, bleven de twee broers levenslang vrijgezel.
De F-14 is een vliegtuig van de Amerikaanse luchtmacht.
Het vliegtuig heeft een perfecte landing gemaakt.