das Wörterbuch Deutsch Minus niederländisch

Deutsch - Nederlands, Vlaams

fußboden Holländisch:

1. vloer vloer


De olie maakte de vloer glad en veroorzaakte zijn plotse val.
Op de vloer ligt een dik tapijt.
Het lijkt er op dat de kinderen op de vloer zullen moeten slapen.
Ik poetste de vloer en het meubilair op.
In de kamer staan bedden, vastgeschroefd aan de vloer. Daarop zitten en liggen mensen in blauwe ziekenhuiskleding en net als vroeger met mutsjes op. Dat zijn de gekken.
Hij stond op de vloer.