das Wörterbuch Deutsch Minus niederländisch

Deutsch - Nederlands, Vlaams

normal Holländisch:

1. normaal


Het is wel normaal.
Op welke dag van de week ben je vrij, normaal gesproken?
Hebt ge na de laatste insuline-injectie normaal gegeten?
Hou op me als een "normaal" iemand te zien!
Uw polsslag is normaal.
Normaal gesproken eet ik veel.
Ik douche normaal 's avonds.
Dit jaar begint de kers vroeger dan normaal te bloeien.
Het is tegenwoordig vrij normaal om jongeren tegen te komen die de Bijbel niet kennen.
Normaal gaat mijn vader met de bus naar kantoor.
Normaal ben ik mager, maar nu ben ik dik.
Het is maar normaal dat hij fier is op zijn zoon.
Engels flanel is normaal geweven en amper pluizig, maar Duitse flanel is gekeperd en juist erg pluizig.