das Wörterbuch Deutsch Minus niederländisch

Deutsch - Nederlands, Vlaams

sterben Holländisch:

1. sterven sterven


In deze regio sterven mensen van de honger.
Zij die zullen sterven, groeten u.
Gedenk te sterven.
Liever sterven al rechtstaande dan geknield te leven.
Weet gij hoeveel mensen van honger sterven op de wereld in een jaar?
We moeten samen leren leven als broeders, of we zullen samen sterven als dwazen.
De patiënt kan ieder ogenblik sterven.
Ik dacht altijd dat een hartaanvaal de manier was waarop de natuur je vertelt dat je moet sterven.
Zoals iemand leeft, zo zal hij ook sterven.
Ik ben bang dat ik binnenkort zal sterven.
Patriotten spreken altijd over sterven voor hun land, en nooit over doden voor hun land.
Zonder water zouden we zeker onmiddellijk sterven.
Puristen moeten sterven. Een taal kun je niet in een kooitje van tradities stoppen.
Zij, van wie de goden houden, sterven jong.
Volgens een studie sterven elk jaar 53.000 Amerikanen aan de gevolgen van passief roken.

2. dood


Hij is dood.
In deze wereld kan niets zeker genoemd worden, behalve de dood en belastingen.
Het gerucht over haar dood bleek niet waar te zijn.
Een ideale baas is als de dood: hij vergeet niemand.
Dood?
Zijn dood is een groot verlies voor onze firma.
De dood is slechts een horizon; en een horizon is niets anders dan de grens van ons gezichtsveld.
Van hard werken is nog nooit iemand dood gegaan. Maar waarom het risico nemen?!
Hij werd geraakt door een auto en was op slag dood.
3 dagen na de dood blijven haar en nagels groeien, maar er komen minder telefoonoproepen.
Gelukkige chocolade die, na de wereld te hebben doorkruist doorheen de glimlach van de vrouwen, de dood vond in een heerlijke en smeltende kus van hun mond.
Valt de boer dood van de tractor, staat aan de bosrand een reactor.
Je gaat toch niet dood, hé?
Hij zag eruit alsof hij sliep, maar eigenlijk was hij dood.
Als die jongen niet dood was gegaan in het verkeersongeval, was hij nu een student geweest.