das Wörterbuch Französisch Minus niederländisch

Français - Nederlands, Vlaams

bébé Holländisch:

1. baby baby


De baby sliep.
Je zult leren van je baby te houden.
Bekijk de slapende baby.
Wij praatten zachtjes zodat de baby niet wakker zou worden.
Ik ben toch geen baby!
Wij hebben iemand nodig die op de baby past terwijl we weg zijn.
De enige overlevende van de crash was een baby.
Ze vroeg me om op haar baby te passen tijdens haar afwezigheid.
Waarom huilt de baby?
Een baby heeft een gevoelige huid.
Wat een schattige baby. Kiekeboe!
Mijn kleinkind is nog een baby.
Ik speelde met de baby op mijn knie.
Ze is bevallen van een gezonde baby.
Zij verwacht deze maand een baby.