das Wörterbuch Französisch Minus niederländisch

Français - Nederlands, Vlaams

bon Holländisch:

1. goed goed


Oh God! Hoe komt dit hier terecht? Ik ben niet goed met computers!
Goed gedacht!
Laten we het tweede probleem behandelen, goed?
Nu goed, hoe gaat men dan van hier naar het Volkspark?
Wat goed bedacht is wordt duidelijk gezegd, en de woorden om het te zeggen komen gemakkelijk.
De politie is er heel goed in om te begrijpen dat iemand mijn creditcard gestolen heeft en een heleboel geld heeft opgenomen. Het is veel moeilijker om ze bij te brengen dat "iemand mijn magische zwaard gestolen heeft".
Esperanto verandert het probleem, omdat men Esperanto even goed kan leren als zijn moedertaal - en misschien wel beter dan die.
Laat ons vrolijk zijn, laat ons het leven goed gebruiken, want het leven is niet lang.
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
Door boeiende verhalen te lezen zal je weldra bemerken, dat je al goed Esperanto kan lezen.
Houd voordat je trouwt je ogen goed open. Knijp nadat je getrouwd bent een oogje toe.
Precies om zulke redenen heeft men reeds overvloedig en zeer goed uit vele talen naar het Esperanto vertaald.
Om computerlinguïstiek te kunnen studeren moet men meerdere talen kennen, maar ook goed met computers kunnen omgaan.
Hij houdt van haar haar, haar glimlach, haar ogen? Wow, hij kan verdomd goed liegen!
Het is geen goed idee iemand te confronteren met eigen uitspraken die hij zich zelf niet meer kan herinneren.

Holländisch Wort "bon"(goed) tritt in Sätzen auf:

Traits de personnalité en hollandais
frans voca f hoofdstuk3

2. lekker lekker


Wat een lekker warm water in zee!
De groenten, die ik op de markt heb gekocht, zijn vers en lekker.
Ons blauwe beddengoed hoeft niet gestreken te worden en is heel lekker zacht; je verheugt je er 's avonds altijd al op om naar bed te gaan!
Het is lekker!
Zo, lekker kopje koffie.
Gaat u lekker op de bank zitten en maak het uzelf gemakkelijk.
Ze maakt kip klaar op de manier die ik lekker vind.
Toen hij zijn naam hoorde, stond de kruising tussen een teckel en een vuilnisbakkenras op van onder de werkbank, waar hij had liggen slapen op de houtkrullen, rekte zich eens lekker uit en rende achter zijn baasje aan.
Trek niet zo'n vies gezicht, die soep is echt heel lekker.
Wilt u aan de chefkok zeggen dat het heel lekker was?
Lekker weertje hè?
Slaap lekker, Timmy.
Mijn vader zal morgen lekker eten voor mij klaarmaken.
Geen drank heb ik liever dan lekker water.
Ik ben niet lekker geworden van de oesters die ik gisteravond gegeten heb.

Holländisch Wort "bon"(lekker) tritt in Sätzen auf:

Burenkuren - klagen om te zagen - woordjes