das Wörterbuch Französisch Minus niederländisch

Français - Nederlands, Vlaams

dur Holländisch:

1. hard


Goede studenten studeren hard.
Werk heel hard.
Hij werkt hard om zijn groot gezin te onderhouden.
Ze sloeg hard op de bal.
Hoe hard je ook "Oe-oe!" roept, in een wolf verander je toch niet.
Het leven is hard, maar ik ben harder.
Het regende hard de hele dag door.
Ik werkte de hele dag hard, dus ik was erg moe.
Ik kan net zo hard rennen als Bill.
Het geluid staat erg hard.
Ge hebt maanden hard gewerkt, en ge verdient zeker een vakantie.
Van hard werken is nog nooit iemand dood gegaan. Maar waarom het risico nemen?!
Hoe hard je het ook probeert, Engels leer je niet in twee, drie maanden.
Het is een goed idee zich te bedekken als de zon zo hard schijnt.
Ga niet naar buiten, het regent hard.

2. moeilijk


Een Fransman bijvoorbeeld kan misschien moeilijk lachen om een Russische grap.
Dit is moeilijk.
Eerst vond hij Engels heel moeilijk, maar nu vindt hij het gemakkelijk.
Mayuko meed moeilijk werk.
Ik weet niet wat doen met dat moeilijk probleem.
De leraar waarschuwde ons dat het examen moeilijk kon zijn.
Hoe moeilijk kan wachten soms zijn!
Waarom viel het dermate moeilijk te beargumenteren, dat de zenuwcel de basiseenheid van het zenuwweefsel is?
Het examen dat hij vorige week afgelegd heeft was uiterst moeilijk.
Hij kan moeilijk zien zonder bril.
Computers zijn in staat tot het verrichten van extreem moeilijk werk.
Reizen naar nieuwe plaatsen is interessant en kan moeilijk zijn. Esperanto maakt ook dat gemakkelijk.
Je maakt het jezelf moeilijk door zulke dingen te leren.
Het is moeilijk uw stijl te herkennen als de boodschap beperkt is tot 80 tekens.
Ze kon zich moeilijk inhouden van lachen toen ze de jurk zag.