das Wörterbuch litauisch Minus niederländisch

lietuvių kalba - Nederlands, Vlaams

amžius Holländisch:

1. leeftijd leeftijd


Mijn zoon is klein voor zijn leeftijd.
Gedraag u naar uw leeftijd!
U zou toch moeten weten dat je een dame niet naar haar leeftijd vraagt.
Je moet rekening houden met zijn leeftijd.
Hij vroeg naar mijn leeftijd, naam en adres enz.
Ze zijn van dezelfde leeftijd.
Hij is van mijn leeftijd.
Hij is gestorven op de leeftijd van zeventig jaar.
Ondanks zijn jonge leeftijd heeft hij zeer goed werk afgeleverd.
Rond welke leeftijd trouwen Japanners?
Ondanks zijn leeftijd was hij nog jong van geest.
Mijn vader ging op 65-jarige leeftijd met pensioen.
Meneer White is ongeveer van mijn leeftijd.
Dat u zo'n end niet meer kan lopen is toch niks om u voor te schamen?! Je zal ze de kost moeten geven die op uw leeftijd überhaupt niet meer kunnen lopen.
Hij overleed op hoge leeftijd.

2. eeuw


Hij is geboren in de 19e eeuw.
In de zesde eeuw namen de Angelsaksen het Latijns schrift over.
De wetenschap is in deze eeuw snel vooruitgegaan.