das Wörterbuch litauisch Minus niederländisch

lietuvių kalba - Nederlands, Vlaams

lėtas Holländisch:

1. traag traag


Traag, a.u.b.
Tom stapt traag.
Wilt u zo traag mogelijk spreken?
Volgens een Turks spreekwoord gaan de dagen traag voorbij, maar vliegen de jaren.
Opa spreekt heel traag.
Hoe traag zijt ge toch!
Ik sprak traag, opdat ze me konden verstaan.
De brede rivier stroomt traag.