das Wörterbuch litauisch Minus niederländisch

lietuvių kalba - Nederlands, Vlaams

pilnas Holländisch:

1. compleet compleet


Deze omgeving is compleet veranderd.
Jammer genoeg is het hotel dat je aanbevolen had compleet volgeboekt.

2. vol vol


Japan is vol mooie steden. Kioto en Nara bijvoorbeeld.
Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.
Ik zit vol!
Sorry, de vlucht is vol.
Japan is vol verrassingen!
De kamer zat vol beestjes, miljoenen kleine, wriemelende beestjes met heel veel pootjes.
Alle bussen zitten vol.
Met je mond vol praten is een vies gezicht.
De dakrand hangt vol grote ijspegels, wat een schitterend gezicht is, maar wel gevaarlijk als het gaat dooien.
De maat is vol! zei de waard boos terwijl hij mijn glas nog een laatste keer vol schonk.
De lezing van de professor zat vol humor.
Een zak met een gat krijg je nooit vol.
De trein zat zo vol, dat niemand van ons kon zitten.
Begin maart viel de dooi in en lag het meer al gauw vol ijsschotsen, en op één daarvan zat een klein, eenzaam poesje.