das Wörterbuch norwegisch Minus niederländisch

Norsk - Nederlands, Vlaams

fastsette Holländisch:

1. repareren repareren


Ik kan de computer niet repareren.
Ik heb mijn computer laten repareren.
Ik moet het repareren.
Ik moet mijn fiets repareren.
Ik liet mijn zoon de deur repareren.
Mijn computer is kapot en ik moet hem laten repareren.
Ik wil deze klok repareren.
Ik liet mijn broer mijn fiets repareren.

2. bepalen bepalen


Het is nooit gemakkelijk te bepalen of hij al dan niet serieus is.