das Wörterbuch Polnisch Minus niederländisch

język polski - Nederlands, Vlaams

lód Holländisch:

1. ijs ijs


Ze houdt van ijs.
Zal het ijs houden?
De zon kwam te voorschijn en het ijs smolt.
Houdt het ijs?
Het ijs is gesmolten.
Ijs smelt tot water.
Hij geeft niet om ijs.
Als het water zakt, dan kraakt het ijs.
Ik vraag me af of de zeespiegel echt stijgt, wanneer het ijs op de Noordpool smelt.
Het schip zat vast in het ijs.
In het midden is het ijs mooi donker en glad, maar langs de rand van de wetering ligt bomijs. Als je daarop gaat staan, breekt het en hoor je een boel lawaai.
Is het ijs 15 centimeter gegroeid in één nacht? Dat lijkt me sterk!
Welke temperatuur heeft het ijs?
Je mag niet te veel ijs en spaghetti eten.
Het ijs zal breken onder je gewicht.