das Wörterbuch Polnisch Minus niederländisch

język polski - Nederlands, Vlaams

sprzedać Holländisch:

1. verkopen verkopen


We verkopen tweedehands boeken.
Ik ga mijn huis verkopen.
Ik heb goed winst gemaakt door mijn auto te verkopen.
De computers verkopen echt als zoete broodjes.
Verkopen ze schriften in die winkel?
Mensen zouden hun ziel verkopen om vanaf deze plaatsen naar het concert te luisteren.
De organisatie organiseert ieder jaar een stuk of wat ontmoetingen van vrijwilligers die de deuren langs gaan om Friese boeken te verkopen.
Men moet de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is.
Ze verdienen hun brood met het verzamelen en verkopen van oude kranten.
Fictieromans verkopen beter dan realiteit. In feite verkoopt realiteit helemaal niet.
Veel mensen willen momenteel hun huis verkopen.
De kapitalisten verkopen ons het koord waaraan wij hen zullen ophangen.