das Wörterbuch Polnisch Minus niederländisch

język polski - Nederlands, Vlaams

złapać Holländisch:

1. vangen


Men moet vossen met vossen vangen.
/ vang/ ving(en)/ h. gevangen
Katten vangen muizen.
Er is een dief nodig om een dief te vangen.
Met onwillige honden is het slecht hazen vangen.
Om een stier te vangen, grijp hem bij de horens.
De inboorlingen vangen regenwater op en bewaren het om het te drinken.

Holländisch Wort "złapać"(vangen) tritt in Sätzen auf:

Czasowniki holenderskie
cz. nieregularne v