das Wörterbuch portugiesisch Minus niederländisch

português - Nederlands, Vlaams

discutir Holländisch:

1. bespreken bespreken


1. een kamer in een hotel bespreken 2. een probleem bespreken 3. een boek bespreken
een kamer in een hotel bespreken
Ik zal dat met hem bespreken als hij nog eens komt.
Zullen we dit bespreken onder een kop koffie?
Ik zal het probleem uitvoerig met je bespreken.
Alleen ga ik niet naar de cinema, want na de film wens ik die graag te bespreken met iemand.
Ze bespreken het probleem.
Ik heb een urgente zaak met je te bespreken.

2. ruzie ruzie


Maak geen ruzie in het bijzijn van iedereen.
Het leek erop dat de ruzie eindelijk uitgepraat zou worden, toen Mark olie op het vuur gooide door te beginnen over de vraag wie de schuldige was.
De ruzie kwam voort uit de rivaliteit tussen de twee landen.