das Wörterbuch vietnamesisch Minus niederländisch

Tiếng Việt - Nederlands, Vlaams

người phối ngẫu Holländisch:

1. echtgenoot echtgenoot


Zij zal voor altijd van haar echtgenoot houden.
Hij toonde zich een ideale echtgenoot.
Zij is spraakzaam, maar haar echtgenoot is helemaal tegengesteld en spreekt nooit.
Zij wist wat het voor een getrouwde vrouw betekende om voor het huis, de echtgenoot, en de kinderen te zorgen.
Ze haatte haar echtgenoot.
Een vrouw wier echtgenoot overleden is, heet een weduwe.
Mijn echtgenoot verdient honderdduizend dollar per jaar.
Hij zal een goede echtgenoot zijn.
Ze had haar echtgenoot niet graag.
Wijlen haar echtgenoot was violist.