sl 26

 0    50 Datenblatt    ganajerski
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Mam nową kurtkę.
Lernen beginnen
Ik heb een nieuwe jas.
Idę do sklepu.
Lernen beginnen
Ik ga naar de winkel.
Ona pije herbatę.
Lernen beginnen
Zij drinkt thee.
Jemy razem śniadanie.
Lernen beginnen
Wij eten samen ontbijt.
On szuka swoich kluczy.
Lernen beginnen
Hij zoekt zijn sleutels.
Otwieram okno.
Lernen beginnen
Ik open het raam.
Czekamy na autobus.
Lernen beginnen
Wij wachten op de bus.
Widzę kota na ulicy.
Lernen beginnen
Ik zie een kat op straat.
Zabieram ze sobą plecak.
Lernen beginnen
Ik neem mijn rugzak mee.
Ona czyta gazetę.
Lernen beginnen
Zij leest de krant.
Idę do pracy pieszo.
Lernen beginnen
Ik loop naar mijn werk.
On robi kawę.
Lernen beginnen
Hij maakt koffie.
Piszę krótką wiadomość.
Lernen beginnen
Ik schrijf een kort bericht.
Kupuję chleb w piekarni.
Lernen beginnen
Ik koop brood bij de bakker.
Jemy zupę na obiad.
Lernen beginnen
Wij eten soep voor het avondeten.
Ona nosi czerwony szalik.
Lernen beginnen
Zij draagt een rode sjaal.
Biorę butelkę wody.
Lernen beginnen
Ik neem een fles water.
Idziemy do kina.
Lernen beginnen
Wij gaan naar de bioscoop.
On patrzy przez okno.
Lernen beginnen
Hij kijkt uit het raam.
Otwieram drzwi.
Lernen beginnen
Ik doe de deur open.
Mam mały problem.
Lernen beginnen
Ik heb een klein probleem.
Ona pracuje w biurze.
Lernen beginnen
Zij werkt op een kantoor.
Idę do kuchni.
Lernen beginnen
Ik loop naar de keuken.
Pijemy kawę w przerwie.
Lernen beginnen
Wij drinken koffie in de pauze.
On zakłada kurtkę.
Lernen beginnen
Hij doet zijn jas aan.
Piszę swoje imię.
Lernen beginnen
Ik schrijf mijn naam.
Idziemy na spacer.
Lernen beginnen
Wij gaan wandelen.
Ona je jabłko.
Lernen beginnen
Zij eet een appel.
Biorę parasol.
Lernen beginnen
Ik neem een paraplu mee.
Widzę piękne niebo.
Lernen beginnen
Ik zie een mooie lucht.
On czyści stół.
Lernen beginnen
Hij maakt de tafel schoon.
Otwieram laptopa.
Lernen beginnen
Ik open mijn laptop.
Jemy owoce po obiedzie.
Lernen beginnen
Wij eten fruit na het eten.
Ona idzie do szkoły.
Lernen beginnen
Zij gaat naar school.
Idę na przystanek tramwajowy.
Lernen beginnen
Ik ga naar de tramhalte.
On kupuje nowy telefon.
Lernen beginnen
Hij koopt een nieuwe telefoon.
Mam małą torbę.
Lernen beginnen
Ik heb een kleine tas.
Ona patrzy na kwiaty.
Lernen beginnen
Zij kijkt naar de bloemen.
Idziemy do restauracji.
Lernen beginnen
Wij gaan naar een restaurant.
Biorę ciepły sweter.
Lernen beginnen
Ik neem een warme trui mee.
On je kanapkę z serem.
Lernen beginnen
Hij eet een boterham met kaas.
Piszę listę zakupów.
Lernen beginnen
Ik schrijf een boodschappenlijst.
Idę do łazienki.
Lernen beginnen
Ik ga naar de badkamer.
Ona pije sok pomarańczowy.
Lernen beginnen
Zij drinkt sinaasappelsap.
Otwieram szafę.
Lernen beginnen
Ik open de kast.
Jemy razem kolację.
Lernen beginnen
Wij eten samen avondeten.
On idzie szybko.
Lernen beginnen
Hij loopt snel.
Mam nowy długopis.
Lernen beginnen
Ik heb een nieuwe pen.
Ona kupuje warzywa.
Lernen beginnen
Zij koopt groenten.
Idę spać wcześnie.
Lernen beginnen
Ik ga vroeg naar bed.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.