das Wörterbuch Deutsch Minus niederländisch

Deutsch - Nederlands, Vlaams

langsam Holländisch:

1. langzaam langzaam


Het papieren vliegtuig gleed langzaam naar de grond.
Hoe uitgehongerd je ook bent, je moet langzaam eten.
De treinen in Servië zijn verschrikkelijk langzaam.
De Roemenen uit Transsylvanië spreken heel langzaam.
Haast u langzaam.
Ik hou van langzaame melodieën.
Hij ging langzaam de trap op.
Ze verdween langzaam in het nevelige bos.

2. traag traag


Tom stapt traag.
Traag, a.u.b.
De brede rivier stroomt traag.
Ik sprak traag, opdat ze me konden verstaan.
Hoe traag zijt ge toch!
Opa spreekt heel traag.
Volgens een Turks spreekwoord gaan de dagen traag voorbij, maar vliegen de jaren.
Wilt u zo traag mogelijk spreken?