das Wörterbuch Polnisch Minus niederländisch

język polski - Nederlands, Vlaams

odpowiedz Holländisch:

1. antwoorden antwoorden


De studenten konden niet antwoorden.
Kan iemand anders antwoorden?
Ik kan niet antwoorden op die vraag.
Ik zal u snel schriftelijk antwoorden.
De enige nuttige antwoorden zijn die antwoorden die nieuwe vragen oproepen.
Ge moet nadenken alvorens te antwoorden.
De domste vragen zijn die, waarop ik niet kan antwoorden.
Ik zal binnen drie dagen antwoorden.
Hij was met plezier bereid om te antwoorden op onze vragen in verband met de zaak.
Er bestaan geen domme vragen, alleen domme antwoorden.
Ze kon altijd op alle vragen antwoorden.
Het is moeilijk om op die vraag te antwoorden.
Een van de antwoorden is juist.

2. antwoord


Geef me antwoord.
Antwoord op de vraag.
Vergelijk uw antwoord met dat van Tom.
Verontschuldig mij, dat ik nu pas antwoord.
Geef in het Engels antwoord op de volgende vragen.
In afwachting van uw spoedig antwoord...
Dit antwoord maakte hem woedend.
Als je als antwoord op een vraag zegt "misschien!" dan betekent dat "zeker!".
Wanneer je een vraag stelt, verwacht je een antwoord.
Dit teken betekent dat het antwoord goed is.
Uiteindelijk heb ik het antwoord gevonden op de vraag.
Antwoord niet aan mij!
Ik moet daarover nadenken voordat ik u antwoord kan geven.
Moet je echt de vraag stellen om het antwoord te weten te komen?
Als antwoord sloeg hij mij op mijn hoofd.

3. de antwoord